Fritsie en het hondje
“Lief hè, mam. Zullen we hem houden?” Dat was het eerste wat Fritsie zei toen hij het schattige kleine hondje zag, dat zomaar en helemaal plotseling in de tuin van de familie Huppelman stond. Mama Huppelman keek héél moeilijk. Dat doet ze namelijk altijd als Fritsie iets vraagt. Meestal vraagt hij dan ook rare dingen zoals: “Mag ik een banaan in mijn neus stoppen?” of “Waarom kan ik niet met mijn billen schrijven?”. Maar dit was eigenlijk niet eens zo’n gekke vraag. Het was tenslotte een leuk hondje; niet zo groot, niet eng en hij blafte ook niet.
“Da’s goed jongen”, zei Fritsie’s mama dus maar. “Ga jij maar met je nieuwe vriendje spelen, dan koop ik snel even een worst voor hem bij de slager. Hij zal wel honger hebben”. “Jiehaaa”, joelde Fritsie. “Ik heb een hond!. En ik noem hem Harry.” Vrolijk rende hij naar binnen om een bal te halen.
Ondertussen keek Harry helemaal niet zo blij uit zijn, eigenlijk heel geniepige, oogjes. “Ik lust geen worst en ik heet helemaal geen Harry”, gromde hij. “Ik heb nog nooit zo’n stomme naam voor een hond gehoord. Wat een stelletje mafkezen hier, zeg”. Stiekem fluisterde hij er nog achteraan: “Ik ben hondje Hapmaar Door en ik neem hapjes uit je oor”. Maar dat hadden Fritsie en zijn mama allebei niet gehoord…
Maar goed, schijnheilig als het hondje was liet hij niks merken toen Fritsie terugkwam met een grote rode bal. Hij zette zijn liefste snoetje op en ging op zijn rug liggen rollen zodat Fritsie lekker op zijn buikje kon kroelen. “Ach, wil je met me knuffelen”, zei Fritsie. “Nou dat wil ik ook wel hoor”. En, dom o dom, kwam hij dichterbij. Zó dicht dat het valse harige kreng hem in zijn oor kon bijten! Hap slok en weg was één van de oorlelletjes van Fritsie.
Helemaal beduusd kwam hij overeind. Net op hetzelfde moment dat mama Huppelman van de slager terugkwam. Met een grote worst in haar tas. “Wel potverdikkie”, riep ze. “Ben je helemaal gek geworden, jij vieze haphond! Ben ik zo aardig om een worst voor je te kopen, zit jij ondertussen aan Fritsie te knagen. Wegwezen jij”. En ze sloeg hem met de worst op zijn hapgrage bekje. “Auwe”, jammerde het mormel, waarna hij Fritsie’s oorlelletje uit zijn muiltje liet vallen en er als een haas vandoor ging. Mama Huppelman pakte het oorlelletje gauw op. “Dat plakken we er zo wel weer aan Fritsie. Geen probleem want ik heb genoeg superlijm in huis”, zei ze tegen haar zoontje die nog steeds verdwaasd om zich heen zat te kijken.
’s Avonds, toen ze lekker stamppot boerenkool met worst zaten te eten, waren mama Huppelman en Fritsie eindelijk van de schrik bekomen. Fritsie’s oorlel zat weer helemaal goed vast en je kon er gelukkig niks meer van zien. En Harry of Hapmaar Door of hoe die vervelende bijterd ook heet? Die loopt nog steeds rond op jacht naar lekkere oortjes. Zonder tanden, dat wel, want die heeft hij voor straf allemaal verloren. Dus echt bang hoef je voor hem niet meer te zijn.